- inkomen
- inkomen1{{/term}}〈het〉1 income ⇒ revenue 〈grote instellingen〉♦voorbeelden:1 het belastbaar inkomen • the taxable incomeeen groep met een laag inkomen • a low-income groupeen modaal inkomen • an average incomeiemand met een vast inkomen • someone with a fixed incomezijn inkomen voor de belasting opgeven • do one's tax returnsinkomen uit arbeid • earnings, wagesinkomen uit vermogen • income from capital————————inkomen2{{/term}}〈onovergankelijk werkwoord〉1 [binnenkomen] enter ⇒ come in(to)2 [in/aangebracht worden] come in♦voorbeelden:1 de stad inkomen • enter the town〈figuurlijk〉 zij begint er juist in te komen • she's just beginning to get the hang of it2 er komt weinig geld in • there is little money coming iningekomen stukken/brieven/mededelingen 〈enz.〉 • incoming correspondence/letters/messages¶ daar kan ik inkomen • I (can) appreciate that, I quite understand thatdaar komt niets van in • that's out of the question
Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels. 2015.